Order: Opiliones, Hooiwagens | |
Inleiding: | |
Bij het zoeken naar springstaarten kom je natuurlijk ook hooiwagens tegen. Voor de fotograaf zijn het leuke
onderwerpen die vaak lang stil blijven zitten en een foto reeks mogelijk maken. Zo fotografeerde ik in het bos
vlak bij mijn huis een hooiwagen die erg stil zat. Omdat je met macro fotografie weinig diepte scherpte
hebt, maakte ik een serie foto's met de scherpte op verschillende plaatsen. Met het programma CombineZM kun je de
serie verwerken tot één enkele foto met een grote dieptescherpte.
| |
Dit bracht een onverwachte reactie op gang. De foto was in de winter gemaakt en dan komt van de grote hooiwagens alleen de voorjaars hooiwagen Rilaena triangularis in aanmerking, aangezien die niet als ei maar als larve de winter doorkomt. En ja, ook nog een zeldzame soort, maar dat verwacht je niet. De admin van het forum reageerde echter met de opmerking dat ik de naam moest wijzigen in die van de zeldzame hooiwagen Platybunus pinetorum en dan eens afwachten wat de experts daar op zouden zeggen. Geheel onverwacht had ik een dier gefotografeerd dat alleen van enkele plaatsen op de Veluwe bekend was en nu dus ook uit Drenthe. | |
Algemeen: | |
In Nederland komen nu 30 soorten voor. Wereldwijd ongeveer 7000 soorten.
Een overzicht van de Nederlandse soorten uit 1975 vermeldt 21, (Spoek 1975). De laatste 35 jaren zijn er dus
liefst 9 soorten bijgekomen, een toename van 21 naar 30 dus 42 procent toename.
Het zijn soorten uit het zuiden van Europa en Noord Afrika die naar het noorden uitbreiden. | |
Hooiwagens worden vaak spinnen genoemd maar ze zijn een aparte orde. Het verschil met de spinnen
is, dat ze zo op het oog uit één bolletje met poten bestaan, spinnen hebben altijd een kop borststuk met
een achterlijf
dus een duidelijke tweedeling. Verder hebben ze geen mogelijkheid om een web te spinnen, ze kunnen geen zijde produceren.
Wat ook ontbreekt, zijn de gifklieren die spinnen wel hebben. Het verhaal dat de hooiwagens heel erg giftig zijn klopt
dus niet. Wel kunnen ze ter verdediging een stinkende vloeistof loslaten. | |
Ter vergelijk even een spin en een hooiwagen naast elkaar. | |
De ogen staan bij de hooiwagens op een
heuveltje boven op het lichaam, ze hebben twee ogen, spinnen hebben doorgaans acht of zes ogen.
Hooiwagens zijn over het algemeen alleseters.
Ze eten dus zowel plantaardig als dierlijk voedsel, hoewel er soorten zijn die alleen dierlijk voedsel nemen. Vaak zijn
het aas eters en leven ze verder van rottende planten, kleine ongewervelden enz. | |
daddy longlegs: | |
mijten | |
Hooiwagens hebben vaak last van parasitaire mijten. Op de poten zoals bij deze twee Platybunus pinetorum, maar soms ook op het lichaam. Het zijn de larven van de fluweelmijt, zie ook de bladzijde diversen met meer informatie over en foto's van de fluweelmijt. | |
Soortbeschrijving: | |
familie: Nemastomatidae, 5 soorten in Nederland, van 3 heb ik foto's | |
Mitostoma chrysomelas | |
|
Mitostoma chrysomelas is redelijk gemakkelijk te herkennen aan de twee palpen die als
een soort van vork vooruit steken. Deze palpen zijn dicht met haartjes bezet waarop een druppel kleefstof zit.
Het is een kleine hooiwagen, lichaamslengte vrouwtjes tot 2mm, mannetjes tot 1,6mm. Hij heeft wel lange poten.
Meestal vind ik hem onder oud hout en oud loszittend schors maar ook wel onder steen. Hij loopt vaak behoorlijk
snel en het is lastig goede foto's van hem te maken. Zit hij even stil, dan is het een zeer fotogeniek dier.
| |
Nemastoma dentigerum | |
|
Nemastoma dentigerum behoort ook tot de kleinere soorten, zoals trouwens deze hele familie. Lichaamslengte vrouwtjes tot 1.9mm, mannetjes tot 1,7mm. Bij het zoeken naar springstaartjes kwam ik dit dier tegen en ik was zeer verrast, aangezien ik nog nooit eerder een geheel zwarte hooiwagen had gezien. Volgens waarneming.nl komen de dieren langs de rivieren, het IJsselmeer en in het westen van het land voor. Ik heb sterk de indruk dat er niet goed naar wordt gezocht, want ik vond hem behalve in het bos van de boswachterij Odoorn, vlak bij mijn huis, ook nog eens in het Midwolderbos in de provincie Groningen. En bij het nakijken van de foto's op waarneming.nl blijkt dat hij al vaker ook uit noord Groningen is gemeld, de informatie is dus op waarneming duidelijk verouderd. | |
Er is een klein probleempje bij het herkennen van deze soort. Er schijnen ook zwarte vormen voor te komen van de soorten die normaal gesproken witte vlekken hebben. Het gevolg is dan dat je een geheel zwarte hooiwagen Nemastoma dentigerum noemt, terwijl het een zwarte uitvoering van één van de andere soorten is. Het is alleen duidelijk als je een mannetje hebt, die heeft op de palpen een tandje. Onder een stuk schors in de boswachterij Schoonoord vind ik eindelijk een mannetje waarbij ik ook nog het tandje op de foto krijg (het haakje aan de onderkant van de bovenste palp), wat dit dier een zekere Nemastoma dentigerum maakt. | |
Nemastoma lugubre | |
|
Van de vorige soort verschilt Nemastoma lugubre door het bezit van twee witte vlekken. Er komt nog een soort voor in Nederland met dergelijke vlekken, Nemastoma bimaculatum maar deze soort is erg zeldzaam en heeft inkepingen in de vlekken. Het onderscheid is miniem en erg moeilijk te zien. Lichaamslengte vrouwtjes tot 2.7mm, mannetjes tot 1,8mm. | |
familie: Phalangiidae 20 soorten in Nederland, van 15 soorten heb ik foto's | |
Strekpoot, Dicranopalpus ramosus | |
|
Eén soort uit deze familie is erg makkelijk herkenbaar, het is de strekpoot
Dicranopalpus ramosus. De naam zegt het al dit dier zit meestal met gestrekte poten, alle vier naast elkaar
en heeft dan ook nog typisch voor deze soort erg lange gevorkte palpen, geen poten maar mondwerktuigen.
Het lijkt erop dat hij vijf paar poten heeft, dat is dus niet zo, alle hooiwagens hebben vier paar poten net als
de spinnen trouwens en de mijten, vandaar dat ze worden ingedeeld bij de spinachtigen. | |
| |
21-02-2012 Na het avondeten zie ik ineens een hooiwagen over tafel lopen, De manier van bewegen doet me denken aan een strekpoot, maar hij is heel erg klein, het lichaam is ongeveer 1mm lang. Het lukt me om een paar foto's te maken op een van de folders die op tafel liggen. Bij het bekijken van de foto's zie ik dat de gevorkte palpen al aanwezig zijn en ook de zwarte dwarsstreep is al zichtbaar. Het is dus duidelijk een jonge Dicranopalpus ramosus. | |
Lacinius ephippiatus | |
|
Lacinius ephippiatus is een middelgrote hooiwagen met op de rug een rechthoekige zadeltekening, tenminste bij de mannen. Er is een drietand voor de ogen. De vrouwen worden maximaal 4,8mm, de mannen 4,3mm. De dieren vind ik in het bos onder stukken los schors. Op enkele plaatsen in het bos heb ik daar gevonden los schors zo neergelegd dat het met de holle kant naar onderen ligt. Op mijn wandelingen controleer ik ze iedere keer en vaak blijkt er een hooiwagen onder te zitten. Ik heb sterk de indruk dat het ook een favoriete plaats voor hooiwagens is om te vervellen. | |
Leiobunum blackwalli | |
|
Bij het onkruid trekken in de tuin op 22-08-2011 zie ik een grote hooiwagen wegrennen. Het is
Leiobunum blackwalli, een vrouwtje. Ik heb geen foto toestel bij me en doe de hooiwagen in een emmer,
daarin is later ook de foto gemaakt. De vrouwen van deze soort worden maximaal 5,2mm de mannen 3mm.
Onderscheiden van de volgende soort is niet moeilijk, bij de vrouwen al helemaal niet, bij de mannen iets moeilijker,
maar ook makkelijk te doen. De zadelvlek op de rug van het vrouwtje is min of meer een
driehoek die plotseling stopt en gevolgd wordt door een licht gekleurd segment. Bij de man moet je naar de oogheuvel
kijken. De oogheuvel heeft bij beide geslachten een donkere streep in het midden en lichte randen rond de ogen.
26-08-2011 Zit er weer één in de tuin, hiervan kan ik één foto maken
voor dat ze wegrent. 28-10-2011 Nu vind ik een vrouwtje dat in het tuinhuisje is gekropen. Ze zit
prachtig stil en zo kan ik ook een foto maken van de zijkant. Opvallend vind ik het dat er alleen maar vrouwtjes in de
tuin zitten, mannen heb ik tot nu toe niet gezien. | |
Leiobunum rotundum | |
|
Deze hooiwagen zoekt zijn soortgenoten op en in het natuurgebied Het Metbroekbosch in Smeerling
heb ik de soort op verschillende plaatsen gevonden op 22-07-2011.
Eerst een viertal in een hopplant dicht bij elkaar, ook enkelingen op brandnetel en later op drie verschillende
eikenbomen in een veel grotere groep. Het is een vreemd gezicht als je bij zo'n boom komt,
zie je een hooiwagen naar de achterkant van de stam rennen. Je loopt ook om de stam en ziet dan een hele groep
hooiwagens voor je uit rennen. Dit wegrennen zie je soms ook bij Platybunus pinetorum maar dan is er maar
één exemplaar dat wegrent en deze springt van de boom als je te snel nadert, dit afspringen
heb ik bij rotundum niet gezien. | |
Reuzenhooiwagen, Leiobunum spec.A | |
|
Hoewel deze hooiwagensoort al een vijftal jaren in Nederland voorkomt is nog steeds niet
vastgesteld welke soort het exact is. | |
Lophopilio palpinalis | |
|
Lophopilio palpinalis wordt tot 4mm lang. Eerst wat foto's van een nog onvolwassen dier.
Volgens het boekje is deze soort vanaf augustus volwassen. Op 15-07-2011 zijn de twee middelste foto's gemaakt en
dit dier is volwassen, kennelijk zijn ze vroeg dit jaar. | |
Mitopus morio | |
|
De vrouwtjes worden tot ruim 8,2mm, mannetjes tot 5,3mm. Het is van de hooiwagens de soort die het grootste verspreidings gebied heeft, alle gematigde en koude gebieden van Europa, Azië en Noord Amerika. De soort is langpotig, al hebben de dieren uit koudere gebieden (het hooggebergte en de noordelijke koude gebieden) kortere poten. Deze dieren hebben vaak een lichte streep op de rug. Bij dieren uit Nederland en Noord Duitsland kan deze lichte streep ook voorkomen. | |
Oligolophus hanseni | |
|
De hooiwagen Oligolophus hanseni is klein en lijkt veel op de drietandhooiwagen.
Je kunt hem er van onderscheiden door de oogheuvel. Bij de drietand is de oogheuvel glad en licht van kleur,
bij hanseni is de oogheuvel donker met lichte tanden. Beide dieren hebben voor de ogen aan de rand van het
lichaam een aantal tanden. Hanseni heeft vijf tandjes op een rij waar de drietand er drie heeft. | |
Drietandhooiwagen, Oligolophus tridens | |
|
De Drietandhooiwagen, Oligolophus tridens heeft drie stekeltjes voor de oogheuvel
waarvan de middelste het langst is. De tekening op de rug is een niet erg duidelijk afgetekend rechthoekig zadel,
dat aan de achterkant eindigd in twee naar achteren gebogen halve cirkels. Daarachter zie je vaak nog twee stippen.
Het komt ook voor dat het lichaam erg licht van kleur is zonder dat het zadel zichtbaar is, de kleur is dus een niet
bruikbaar kenmerk bij deze soort. Overigens zijn ook andere soorten variabel in kleur. | |
Rode hooiwagen, Opilio canestrinii | |
|
Deze hooiwagen is voor het eerst in Nederland waargenomen in 1991 (Van der Weele 1993),
tegenwoordig is het een veel voorkomende soort. Herkenbaar door de lichte dwars strepen op de rug. De oogheuvel is hoog en
heeft tot vijf tanden, de ogen zijn wit omrand. De poten zijn voorzien van rijen zwarte tandjes en zijn zeer lang.
Lichaamslengte vrouwtjes tot 8.1mm, mannetjes tot 6.1mm. Volwassen vanaf juli tot en met december. | |
| |
Opilio saxatilis | |
|
Deze hooiwagen is van oorsprong een Zuid Europese soort die door de mens over geheel Europa
is verspreid. De soort houdt van droge warme plaatsen. Ik vond hem 28-06-2011 op een muurtje van een grote plantenbak
in de tuin van een kasteeltje in Vlaanderen. De vrouwtjes worden tot 6 mm lang, de mannetjes tot 5,2mm. Ze zijn volwassen
vanaf juli tot december. Kenmerkend voor deze soort is de enkele tuberkel (tand) aan de zijkant naast de oogheuvel. | |
Bonte hooiwagen, Paroligolophus agrestis | |
|
Kleine, kort potige soort. Brede lichte streep over de rug en een vijftandig heuveltje voor op het lichaam. Lichaamslengte vrouwtjes tot 4.5mm, mannetjes tot 3.6mm. De dieren zijn volwassen vanaf juli en kunnen bij zachte winters tot aan maart worden waargenomen. | |
Gewone hooiwagen, Phalangium opilio | |
|
Grote langbenige hooiwagen met een karakteristieke witte onderkant. Lichaamslengte vrouwtjes tot 7mm, mannetjes tot 6mm. Op de rug een duidelijke zadel tekening. De mannetjes hebben een zeer grote doorn op de cheliceren, dit is zeer opvallend en maakt de mannen makkelijk herkenbaar. De vrouwtjes kun je eventueel verwarren met die van Mitopus morio, maar zijn duidelijk te herkennen aan de twee tanden boven de cheliceren, de twee witte puntjes op de foto die je ziet uitgaande van de oogheuvel naar voren op de rand van het witte vlak dat je dan tegenkomt. Dit is een soort die van warmte houdt en je kunt hem vinden op open plaatsen, zelfs in de zon. In donkere bossen zul je hem niet aantreffen. | |
|
Er zit een addertje onder het gras bij de determinatie van de gewone hooiwagen, als je denkt dat deze soort al lang volwassen is en je komt een klein exemplaar tegen met een redelijk gladde oogheuvel, ben je geneigd om er een M. morio van te maken. Ook de twee tandjes boven de palpen zijn bij de jonge dieren nog vaak niet aanwezig. Dat overkomt mij bij het dier van de twee foto's hieronder. De foto is gemaakt in januari 2012 en als je dan een kleine hooiwagen vindt denk je aan de kleine soorten. Maar van Phalangium opilio kun je het hele jaar door jonge en nog niet volwassen exemplaren tegen komen. Dit dier zat op een paaltje langs een grasveld in Kampen. Op zo'n open plaats moet je dus eerst eens kijken of het geen gewone hooiwagen kan zijn. | |
Platybunus pinetorum | |
|
Dit is een in Nederland nog zeer zeldzame hooiwagen die naar het lijkt zich sterk aan het
uitbreiden is. Tot 2010 was hij van enkele plaatsen in midden Nederland bekend. In 2011 komen daar bij Zuid Limburg,
omgeving Apeldoorn, omgeving Ommen en de boswachterij Odoorn in Drenthe. Zie ook dit artikel (Wijnhoven en Noordijk, 2011)
pdf
| |
|
07-09-2011 De afgelopen week heb ik meerdere malen kleine hoowagens gevonden die volgens mij echt jongen van deze soort zijn. Ze liepen echter steeds zo snel weg op hun tak of schorsje waaronder ik ze had gevonden dat ik geen foto's kon maken. Vandaag is er één die stil blijft zitten, zelfs als er een springstaartje over hem heen kruipt. Zo'n springstaart is ongeveer 3mm lang, kun je goed zien hoe klein de hooiwagen is. | |
Voorjaars hooiwagen, Rilaena triangularis | |
|
Evenals Platybunus overwintert de voorjaarshooiwagen als juveniel. Hij wordt april tot eind juli
volwassen. Lichaamslengte vrouwtjes tot 7mm, mannetjes tot 4.5mm. De mannetjes zijn licht geel bruin, de vrouwtjes
iets donkerder bruin met een duidelijke zadel tekening die bij de mannen ontbreekt. De oogheuvel vormt een belangrijk
determinatie kenmerk, een hoge, getande diep ingesneden verhoging. | |
Ter vergelijking: Voorjaarshooiwagen en Platybunus pinetorum | |
Bedankt | |
|
Graag wil ik Joost Vogels, Arp Kruithof en Hay Wijnhoven bedanken voor de grote hoeveelheid informatie die ze me hebben verschaft via het forum van Waarneming.nl. Hierdoor werd mijn interesse in de hooiwagens sterk aangewakkerd. | |
literatuur:
| |





























































































































